Jan van Essen 1854 - 1936 |
Home |
|
Johannes Cornelis van Essen wordt geboren op 25 januari 1854 te Amsterdam. Zijn gelijknamige vader die koopman en sigarenfabrikant is, ontdekte al vrij spoedig dat Jan nooit een koopman zou worden, zodat hij "ten laatste toegaf aan den wensch van den jongen om zich tot kunstschilder te bekwamen". En zo kwam Jan van Essen terecht op het atelier van P.C. Greive waar hij o.a. samen werkt met diens zoon Koen Greive, Joan Berg, Hein Kever en Jan ten Kate. Vervolgens werkt hij kort op het atelier van de Larense tekenleraar H. Valkenburg. Toen hij 19 jaar was had Van Essen genoeg van "aan den leiband loopen" en opende hij een eigen atelier in de Tesselschadestraat in Amsterdam. In het begin schildert hij portretten en genrestukjes. In 1877 trekt hij met vried Willem Steelink en Hein Kever naar Laren. Geimponeerd door een schilderij van Jacob Maris begint hij Maris-achtige landschappen (slootjes met eenden, grazende koeien) te schilderen. Toch blijkt dit niet zijn genre, en gaat hij stadgezichten en straatjes schilderen, te beginnen met een Straatje in Naarden (zie afb. 2). De Amsterdamse kunsthandelaar Tersteeg is erg enthousiast en verkoopt het werk onmiddelijk aan de latere minister Tak van Poortvliet. Het toeval wil dat Jacob Maris tegelijk met Van Essen bij kunsthandel Tersteeg aanwezig is als dit werk vertoond wordt. Jacob drukte hem de hand en wenste hem geluk met dit werk. | ![]() Portret 1896, door H. M. Krabbé |
|
Van Essen zelf hierover: "Dat was eene onderscheiding, hè, en ik ging toen dapper aan 't straatjes schilderen; maar 't woû niet meer Geen der latere kon ooit meer halen bij dat eerste".
Hij sukkelt een tijdje met zn werk, totdat hij de Engelse dierenschilder John Swan in Amsterdam ontmoet; vanaf dat moment (1880) gaat hij zich toeleggen op het dierengenre. Drie jaar lang bezoekt hij dagelijks Artis. H.M Krabbé herinnert zich hierover: "Het is reeds zestien jaar geleden, dat er in de leeuwengalerij in Artis een 'heer' verscheen, die onze groote belangstelling wekte. Hij was lang en mager, maar toch stevig van bouw en had een gladgeschoren gezicht met zooiets van een Engelschen deftigheid erover. Hij droeg op den ietwat wip-neus een gouden lorgnet, en op zijn zorgvuldig gladgestreken haren, waarvan een lok nuffig op het voorhoofd neerdaalde, steeds een hoogen hoed, wat hem, in verband met zijn gekleede jas, iets bijzonder gewichtigs en in onze kwâjongens-oogen belachelijks gaf. Maar drommels, wat was 't een knappe schilder!" Het is door deze periode dat van Essen de naam "dierenschilder" krijgt. In maart 1892 verhuist hij naar Scherpenzeel waar zijn vriend Willem Steelink ook woont. Samen hebben ze een gemeenschappelijk atelier in Renswoude. Als echte natuurliefhebbers vragen ze beide een grote jacht-akte aan. In 1899 verhuist van Essen naar den Haag, waar hij met Herman van der Weele, Willy Martens, en Willem Steelink een kleine kunstkolonie vormt nabij Duinoord. Ze doen daar goede zaken met de Amerikaanse kunstkopers. In 1913 verlaat hij den Haag en vestigt zich voorgoed in Scherpenzeel. Op 23 mei 1936 overlijdt Jan van Essen. [Alle citaten afkomstig uit een inverview dat Hans Maarten Krabbé zelf beeldend kunstenaar (en inderdaad de grootvader van Jeroen Krabbé) in 1896 met Van Essen had, opgetekend in "Het Schildersboek" (Elsevier 1900).] | |







